Wijn van eigen bodem was voor mij lang vooral een curiositeit, maar inmiddels staat er geregeld een Nederlandse fles op tafel, en niet uit chauvinisme. De kwaliteit is het afgelopen decennium hard gestegen, en dat is geen toeval: het klimaat werkt mee, de druivenrassen zijn beter en de wijnboeren professioneler.

Groot is het niet. In 2025 telde Nederland volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland 220 commerciële wijngaarden met samen ruim 350 hectare, goed voor zo’n 1,5 miljoen flessen. België zit inmiddels boven de 1.000 hectare, Engeland op bijna 5.000. Driekwart van de Nederlandse wijn is wit, een groeiend deel mousserend, en rood blijft de uitzondering. De moderne wijnbouw begon in 1967 op de Sint-Pietersberg en in 1970 op de Apostelhoeve, en Zuid-Limburg is nog altijd het zwaartepunt, maar er staan wijnstokken in alle twaalf provincies. Sinds 2018 heeft Nederland bovendien negen beschermde oorsprongsbenamingen (BOB), de tegenhanger van de Franse AOP.

Nederlandse wijn koop je zelden bij de supermarkt. Je vindt hem bij de wijngaard, bij de betere wijnhandel en in restaurants, meestal tussen de 12,50 en 25 euro. Dat is meer dan een vergelijkbare fles uit Frankrijk, en op deze pagina’s probeer ik uit te leggen waar dat geld naartoe gaat en wanneer het de moeite waard is. Wie meteen wil proeven: ik schreef eerder over de riesling van de Apostelhoeve en over auxerrois uit Limburg en Zeeland.

Kaart van de Nederlandse wijnbouw: de negen BOB's en twaalf producenten

Kaart: eigen werk op basis van CBS-gebiedsindelingen via PDOK (CC BY 4.0) en Natural Earth; BOB-gebieden bij benadering. Klik op de kaart voor de grote versie met legenda.

Op de volgende pagina’s ga ik dieper in op de Nederlandse wijnbouw: